Twee bijzondere Lankelma’s, één ondernemende familie
Jacob Volkert Lankelma: De stadsarchitect die ondernemer werd
Toen Jacob Volkert Lankelma in 1848 naar Purmerend kwam, kon niemand vermoeden dat hij aan het begin stond van een familiebedrijf dat meer dan honderd jaar later nog altijd zou bestaan. Hij kwam niet uit een ondernemersfamilie. Zijn vader Pieter Lankelma woonde aan de Geldersekade in Amsterdam en verdiende de kost als scheepstimmerman.
Jacob Volkert werd in 1825 geboren en koos aanvankelijk voor de bouwkunst. Hij studeerde aan de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Na zijn opleiding mocht hij zich architect noemen en was hij bevoegd les te geven aan een bouwkundige tekenschool. Voordat hij naar Purmerend vertrok, werkte hij als opzichter bij de bouw van een suikerraffinaderij. Met het getuigschrift van deze onderneming op zak vestigde hij zich op 23-jarige leeftijd in de marktstad.
Waarom hij juist voor Purmerend koos, is niet bekend. Vaststaat dat hij er met zijn vrouw Aafje de Jong aan de Koemarkt ging wonen. Samen kregen zij drie zoons en drie dochters. Jacob bouwde in Purmerend niet alleen een gezin op, maar verwierf er ook een belangrijke positie als architect, ondernemer en bestuurder.
Bouwen aan Purmerend
Als bouwkundig opzichter adviseerde Jacob Volkert het gemeentebestuur bij het verlenen van bouwvergunningen. Daarnaast ontwierp hij gebouwen voor particuliere opdrachtgevers. Verschillende bouwwerken in en rond Purmerend kwamen van zijn tekentafel.



Een van zijn bekendste ontwerpen was Villa Clementine, gebouwd in opdracht van de Purmerendse ondernemer Nicolaas Brantjes. Ook was hij, samen met de vooruitstrevende landbouwer Wouter Sluis, betrokken bij het ontwerp van boerderij Het Deutzen Hofje aan de Neckerweg in de Beemster.
Wouter Sluis zou een belangrijke rol spelen in het leven van de familie Lankelma. Hij en Jacob Volkert waren allebei mannen die graag experimenteerden en belangstelling hadden voor nieuwe technieken. Hun samenwerking vormde later mede de basis voor de ontwikkeling van brongasinstallaties, waarmee Jacobs zoon Jan grote bekendheid zou verwerven.
Van architect naar fabrikant
Volgens de familieoverlevering was het vooral Aafje de Jong die haar man aanspoorde om naast zijn werk als architect ook ondernemer te worden. Zij was een dochter van een Zaanse cacaofabrikant en zag vermoedelijk meer toekomst in het bedrijfsleven.
In hetzelfde jaar waarin het echtpaar zich in Purmerend vestigde, nam Jacob Volkert de tegelbakkerij van de overleden Gerrit Paardekoper over. Deze onderneming bestond al sinds 1683. De stadsgrachten en de Beemsterringvaart leverden de klei waarvan de bekende Purmerendse oventegels werden gemaakt.
Jacob behield de vertrouwde firmanaam G. Paardekoper. De tegels waren geliefd bij bakkers in binnen- en buitenland. Door de bijzondere, kalkrijke blauwe zeeklei kregen ze tijdens het bakken een kenmerkende gele kleur. De kwaliteit werd op tentoonstellingen in onder meer Bolsward, Amsterdam en Gent bekroond.
Het succes trok ook namakers aan. Op grote schaal werden tegels verkocht die ten onrechte het Purmerendse handelsmerk droegen. Tijdens een tentoonstelling in Gent zou Jacob een tegel van een concurrent hebben doorgeslagen om aan te tonen dat het om namaak ging. Zijn optreden leverde hem een onderscheiding van koning Leopold II van België op. De medaille kreeg vervolgens een prominente plaats op het briefpapier van de firma.
Ondanks investeringen in een nieuwe steenoven en een nieuw fabrieksmerk bleef het rendement van de tegelbakkerij bescheiden. Toch hield Jacob de onderneming overeind. Daarmee legde hij de industriële basis waarop zijn zoon Jan later kon voortbouwen.
Betrokken bij stad en samenleving
Jacob Volkert beperkte zich niet tot zijn werk als architect en fabrikant. Hij voelde zich sterk betrokken bij het maatschappelijke en politieke leven van Purmerend.
Van 1875 tot 1885 vertegenwoordigde hij de liberale kiesvereniging Plicht en Recht in de gemeenteraad. Daarnaast was hij een van de oprichters van de werkmansvereniging Vooruit. Deze vereniging zette zich in voor de ontwikkeling en emancipatie van arbeiders. Door onderlinge steun bij ziekte, scholing en sociale woningbouw probeerde men de positie van werklieden en hun gezinnen te verbeteren.
Jacob was ook lid van de vrijmetselaarsloge Louisa Augusta. Voor de bijeenkomsten van deze loge ontwierp hij een grote tempel in de Koestraat. Bij de inwijding bleek het gebouw plaats te bieden aan ongeveer driehonderd mensen. Het ambitieuze onderkomen werd echter te kostbaar. Door een dalend ledental en teruglopende inkomsten kon de loge de rente en aflossing uiteindelijk niet meer opbrengen. In 1894 werd zij opgeheven. Zijn maatschappelijke betrokkenheid en zijn belangstelling voor technische vernieuwing laten zien dat Jacob meer was dan alleen een bouwkundige. Hij behoorde tot de vooruitstrevende inwoners van het negentiende-eeuwse Purmerend: mensen die geloofden dat kennis, samenwerking en ondernemerschap de samenleving konden verbeteren.
De grondlegger
Na het overlijden van Aafje de Jong hertrouwde Jacob Volkert met Wilhelmina de Vries. Ook zijn tweede vrouw kwam vóór hem te overlijden. In zijn laatste levensjaren woonde hij bij zijn oudste dochter aan de Nieuwe Gracht.
Op tachtigjarige leeftijd liet hij zijn testament opmaken. Vier jaar later, in 1909, overleed hij. Hij liet niet alleen bezittingen aan zijn kinderen na, maar ook een onderneming en een manier van denken: nieuwsgierig blijven, kansen zien en nieuwe technieken durven toepassen.
Jacob Volkert Lankelma wordt daarom terecht beschouwd als de grondlegger van het familiebedrijf. Hij begon als architect, werd fabrikant en vormde de verbinding tussen bouwkunst, nijverheid en technisch ondernemerschap. Zijn zoon Jan zou die erfenis verder uitbouwen en de naam Lankelma tot ver buiten Purmerend bekendmaken.
Jan Lankelma: De man die het platteland licht bracht
Jan Lankelma werd in 1853 geboren als oudste zoon van architect en fabrikant Jacob Volkert Lankelma en Aafje de Jong. Hij groeide op in een gezin waarin bouwen, ondernemen en experimenteren bij het dagelijks leven hoorden. Het lag dan ook voor de hand dat hij in de voetsporen van zijn vader zou treden.
Na zijn huwelijk met Claartje Kaaskoper ging Jan aan het Looiersplein wonen. Vlak bij zijn huis stonden de loodsen van waaruit zijn vader bouwmaterialen verhandelde. Jan werkte mee in de tegelbakkerij, maar wilde ook op eigen benen staan. Hij was nieuwsgierig, ondernemend en voortdurend op zoek naar nieuwe mogelijkheden.
Net als zijn vader zette hij zich in voor de stad. Hij was van 1890 tot 1913 lid van de gemeenteraad, maakte deel uit van de Kamer van Koophandel en was commissaris van de stadstekenschool. In advertenties waarin kiezers werden opgeroepen op hem te stemmen, werd hij gepresenteerd als een vrijzinnige, eerlijke en kundige man van de vooruitgang.
Een gewaagd cementavontuur
Op 29-jarige leeftijd richtte Jan samen met Cornelis Brantjes een portlandcementfabriek op. De familie Brantjes bracht het benodigde kapitaal in; Jan beschikte over de technische kennis. De ervaring die hij in de tegelbakkerij had opgedaan, kwam daarbij goed van pas.
In Nederland werd destijds veel buitenlands cement gebruikt. Jan wilde bewijzen dat ook in Purmerend cement van goede kwaliteit kon worden gemaakt. Hij verdiepte zich jarenlang in de juiste samenstelling en maakte reizen naar Engeland om de daar gebruikte productiemethoden te bestuderen. Volgens een onbevestigd familieverhaal sloeg hij in Londen zelfs een stuk beton van een obelisk af om het materiaal thuis te kunnen onderzoeken.
De klei voor de fabriek werd uit de Zuiderzee gebaggerd en via Monnickendam en de Purmerringsloot naar Purmerend vervoerd. Daar werd zij eerst maandenlang opgeslagen. Vervolgens werd de klei met krijt gemengd, tot ballen gevormd, gedroogd en in een schachtoven gebakken. Na het malen en zeven werd het cement onder de merknaam “Belle naar” in vaten verkocht
De kwaliteit was goed. Deskundigen vonden dat het Purmerendse cement zich met de beste buitenlandse merken kon meten. Toch werd de fabriek geen commercieel succes. Buitenlandse concurrenten hielden de verkoopprijzen laag, de aanvoer van grondstoffen was kostbaar en het ongezonde, stoffige werk maakte het moeilijk personeel te vinden. In 1890, na ongeveer acht jaar productie, werd de fabriek gesloten.
Voor Jan betekende het mislukken van de cementfabriek echter niet het einde van zijn ondernemerschap. Integendeel: hij richtte zijn aandacht op een nieuwe ontwikkeling die zijn grootste succes zou worden.
De doorbraak van het gasgloeilicht
Aan het einde van de negentiende eeuw deed het gasgloeilicht zijn intrede. De traditionele gaslamp met open vlam gaf weinig licht en verbruikte veel energie. Het gloeikousje van Auer von Welsbach zorgde voor een veel helderder licht en een lager gasverbruik.
Jan zag onmiddellijk de mogelijkheden. Begin 1894 begon hij een onderneming voor het installeren en onderhouden van gasverlichting. Hij sloot onderhoudscontracten af met treinstations in heel Noord-Holland en kreeg daarnaast klanten onder particulieren, winkels, fabrieken en theaters. In schouwburg Amicitia aan de Weerwal plaatste hij onder andere opaaltulpen en glazen kogelballons.
Het onderhoud leverde voortdurend werk op. De kwetsbare gloeikousjes gingen gemiddeld slechts ongeveer tweehonderd branduren mee en lampenglazen sprongen regelmatig door de hitte. Al snel had Jan drie medewerkers in dienst om de glazen te monteren en schoon te maken.
Maar alleen installeren was voor hem niet genoeg. Hij wilde de techniek verbeteren. Hij verkreeg patent op een lampenglas dat was opgebouwd uit glazen staafjes, bijeengehouden door koperen ringen. Samen met apotheker Jürgens ontwikkelde hij bovendien een vloeistof waarmee gebruikte gloeikousjes opnieuw lichtgevend konden worden gemaakt. Het middel kreeg de naam Lucida.
Gas uit de bodem
Zijn kennis van verlichting bracht Jan op het terrein waarop hij werkelijk naam zou maken: het benutten van brongas.
Bij het boren van nortonputten in Noord-Holland kwam soms niet alleen grondwater omhoog, maar ook brandbaar gas. Wouter Sluis had rond 1875 al proeven gedaan met het opvangen en gebruiken daarvan. Jan wist deze kennis om te zetten in praktisch bruikbare installaties.
Zijn eerste brongasketels werden geplaatst bij landbouwers in de Purmer en de Beemster. De installatie ving het gas op dat met het grondwater uit de bodem omhoogkwam. Een door Jan ontwikkelde separator scheidde het gas van het water. Het gas werd vervolgens naar de woning, stal of bedrijfsruimte geleid. Wanneer het niet meteen werd gebruikt, werd het opgeslagen in een grote, meestal zwart geteerde gashouder.
Voor boeren betekende de uitvinding een enorme vooruitgang. De petroleumlamp in de woonkamer kon worden vervangen door helder gaslicht. Ook de donkere koestal werd verlicht en op een gaskomfoor kon voedsel voor mens en dier worden bereid. Het opwellende water werd bovendien gebruikt als drinkwater voor het vee en als koelwater voor de melk.
In 1896 had Jan al 34 brongasinstallaties aangelegd en bedroeg zijn omzet ongeveer 25.000 gulden. Vanuit heel Noord-Holland kwamen opdrachten binnen. Ook buiten de provincie washij actief. Zijn klanten bevonden zich onder meer in Wieringerwaard, Anna Paulowna, Benningbroek, Friesland en Zuid-Holland.
Niet alleen boerderijen maakten gebruik van zijn installaties. Ook grotere ondernemingen zagen de voordelen. De papierfabriek van Van Gelder in Wormer en de zaadhandel Sluis en Groot in Enkhuizen beschikten over brongas. Bij zuivelfabriek Hollandia werd het gas zelfs gebruikt om een motor voor elektrische verlichting aan te drijven.

Uitvinder en vakman
Jan verbeterde zijn installaties voortdurend. Omdat brongas niet heet genoeg brandde om een gloeikousje volledig te laten oplichten, bedacht hij een methode om koolwaterstoffen aan het gas toe te voegen. Door kleine hoeveelheden acetyleen te gebruiken, werd het licht sterker. Het reukloze brongas kreeg daardoor bovendien een herkenbare geur.
Voor zijn brongasinrichting verkreeg Jan in 1896 een Duits patent. Daarmee kon hij zijn uitvinding ook buiten Nederland op de markt brengen.
Een ander probleem vormden de ijzeren buizen waarmee de bronnen werden aangelegd. Het zoute en koolzuurhoudende grondwater tastte deze buizen aan, waardoor ze na enkele jaren vervangen moesten worden. Jan ontwikkelde daarom houten welpijpen. De duigen werden in zijn eigen werkplaats tegen elkaar geklemd en met koperdraad vastgezet. In het onderste deel kwamen gaten die met kopergaas werden beschermd tegen verstopping.
Ook de gasketels werden in eigen beheer gemaakt. Vanaf 1907 beschikte Jan over een smederij in de Tuinstraat. Daar werkten twee mannen aan een draaibank die, heel toepasselijk, door een gasmotor werd aangedreven.
Zijn succes trok concurrenten aan. Timmerlieden, smeden en loodgieters kochten boorapparatuur en boden zichzelf aan als brongasinstallateur. Jan waarschuwde nadrukkelijk voor ondeskundig aangelegde installaties. Brongas was immers brandbaar en slecht werk kon gevaarlijk zijn. Zijn eigen reclameboodschap liet weinig ruimte voor twijfel: de brongasinrichtingen en houten welpijpen van Lankelma werden volgens hem wel nagemaakt, maar niet verbeterd.
Meer dan een zakenman
Jan hield zich niet uitsluitend met cement, licht en brongas bezig. Hij bedacht ook een methode om kaas in kleine busjes te verpakken, waardoor deze gemakkelijker geëxporteerd kon worden. Hij verkocht de uitvinding aan de kaashandelaren Stuijt en ontving voor ieder verkocht busje één cent. De jaarlijkse opbrengsten konden daardoor flink oplopen.
Daarnaast had hij belangstelling voor de geschiedenis van Purmerend. Hij verzamelde bodemvondsten en stelde een belangrijk deel van zijn collectie beschikbaar voor de tentoonstelling Oud-Purmerend, die in 1923 in de Boterhal aan de Nieuwstraat werd gehouden.
In 1910 nam zijn oudste zoon een deel van de bedrijfsleiding over. Samen richtten zij de vennootschap Jan Lankelma en Zoon op. De tegelbakkerij bleef voorlopig een afzonderlijke onderneming onder leiding van Jan.
Toen Jan Lankelma in 1927 overleed, liet hij zijn zoons Gerard Dirk en Jacob Volkert een goedlopend bedrijf na. Wat zijn vader in 1848 als architect en tegelfabrikant was begonnen, had Jan uitgebouwd tot een technisch bedrijf dat in heel Nederland bekendheid genoot.
Jan bezat de bijzondere gave om nieuwe ontwikkelingen vroeg te herkennen en ze praktisch toepasbaar te maken. Hij bracht licht en warmte naar afgelegen boerderijen, verbeterde de techniek van water- en en ontwierp oplossingen voor problemen die anderen nog nauwelijks hadden onderkend. Daarmee werd hij niet alleen een succesvolle Purmerendse ondernemer, maar ook een echte pionier van de vooruitgang.







Recente reacties